Recensie uit de Veluwepost

Mensen, interieurs, landschappen, het oeuvre van Eppo van Bolhuis (1967) is breed. En het is uitbundig. Heldere kleuren als die van de Preraphaeliten en Cobra stralen van het doek. Van Bolhuis is autodidact. ,,Ik moet het allemaal zelf uitvinden. Het blijft zoeken en proberen.''

Het stedelijk leven in al zijn facetten exposeert Van Bolhuis op uitnodiging van Wageningen Fine Art in Junushoff. Er zijn stadsgezichten van Leiden en Santiago de Compostella, maar ook straatscenes en portretten van mensen uit zijn omgeving. 'We kunnen altijd nog verdoven' heet een schilderij, dat kennelijk de neerslag van een bezoek aan de tandarts is, maar meer aan stedelijk straatgeweld doet denken.

Er is ook een beurskrach en een scene in een rechtbank. Een tweede scene met juristen heet 'De afrekening'. Geschilderd op een cruciaal moment waarop Van Bolhuis koos voor een leven als kunstenaar in plaats van arts.

Karikatuur of karakter
Van Bolhuis lijkt in die schilderingen niet te kunnen kiezen tussen karikatuur en drama. Als karikatuur zijn zijn schilderijen van mensen zondermeer geslaagd. Waar het aan schort blijkt echter bij de portretten die niet al dusdanig bedoeld zijn.

Anatomie. Zelf zegt de jonge schilder dat hij - opgeleid als arts - de anatomie los moet laten. ,,Anders ga ik tijdens het werken opereren. Dan zie ik het mooie van mensen niet meer, maar zie ik ze als patient.''

Van Bolhuis zoekt volgens zijn zeggen naar bezieling in zijn werk. ,,Ik zet alles aan; geef het eigenlijk net iets meer dan het echt is. Soms wil ik meer vertellen dan je zou moeten doen.''

Al met al is het niet duidelijk, waar karakteristiek eindigt en karikatuur begint. Is de tandartsassistente zo onhandig? Is ze heimelijk verliefd op Van Bolhuis en zit ze daarom zo ongemakkelijk. Of komt dat doordat hij zelf haar niet op het doek weet te krijgen?

Tegelijkertijd zijn Van Bolhuis stadsgezichten van grote kwaliteit. Qua sfeer, qua licht en kleuren in ieder geval.

Toeval
Maar ook hier is het weer niet duidelijk, of hij het perspectief negeert of niet beheerst. Zo is het ook met de vele schilderijen, die hij in zijn eigen atelier gemaakt heeft. Een oud haringpakhuis, zo vertelt hij, met veel licht. Dat licht weet hij goed weer te geven. Maar als je langer kijkt gaat het stoeltje je storen. Hoe staat het nou? Naar je toe of van je af? Het is te nadrukkelijk aanwezig om te negeren en tegelijk toch niet het onderwerp van het schilderij.

Waar het uiteindelijk aan schort is techniek. Datgene dat je op een academie leert, zodanig dat datgene dat op het doek verschijnt geen toeval is, maar bedoeling.

Het is een geijkte vergelijking, maar Van Bolhuis is als een ruwe diamant. Hij zal schitteren als hij geslepen is. De expositie in Junushoff is een stap in dat proces en voor wie van kunst houdt is het een voorrecht om daar bij te zijn. Niet elke schilder heeft de moed om Jan en alleman getuige te laten zijn van zijn vallen en opstaan. Anderzijds zal hij in de waardering van zijn publiek ook zeker aanmoediging vinden om door te gaan. Hopelijk doet hij dat, want als de kwast eenmaal doet wat hij wil, hebben we nog veel moois te verwachten.

 
< Vorige